Mijn naam is Ilona, ik ben geboren en getogen in Polen.

Hoe zou ik me aan u, mijn lezer, willen voorstellen? Vroeg ik me al lang af.

Ik zou over mijn studies, werk, opleidingen of passies kunnen beginnen. Dit is echter zo vergankelijk.

Misschien bent u meer geïnteresseerd in het waarom ik de waarheid over Polen zo belangrijk vind? Vooral in de wereld waarin de waarheid onbelangrijk is geworden, en de ideeën de feiten, de realiteit lijken te overheersen.

Daarom stel ik me voor vanuit mijn eigen ervaring.

Het was 1970, stakingen van de arbeiders aan de kust. Ik was toen nog geen 7 jaar oud. Mijn moeder en ik verlieten net de winkel, het was de sluitingstijd. Eenmaal buiten zag ik overal mensen heen en weer rennen en schuilen. Vreemde rook in de lucht, grote wagens in de straat en de sfeer van angst. Instinctief schoten we in een donker straatje naast de uitgang. Gedrukt tegen de muur maakten we ons onzichtbaar. Mij moeder hield mijn hand de hele tijd stevig vast. Plotseling zagen we een magazijndeur vlak naast ons opengaan. De verkoopster uit de winkel gebaarde iedereen naar binnen. Ik heb het nooit kunnen vergeten, thuis werd er nooit over gepraat.  

Ik groeide op onder een totalitair regime, waar gebrek aan vrijheid een gegeven was. Hoe zeer we onze vrijheid misten, kun je pas gaan beseffen als je een tijdje in een vrij land mag leven. 

De Sovjet-Unie bezette Polen in 1944. Stalin wist dat hij van een Pool geen communist kon maken, daarom stuurde hij zijn eigen communisten naar Polen, versterkt door het Sovjetleger en de communistisch diensten. De Poolse bevolking was bedoeld om het leven als slaaf te slijten. 

We leefden onder een totalitair regime, die de meest basale, persoonlijke situaties beïnvloedde….

Het terreur systeem drong diep tot onze onderbewustzijn, verlamde en vernederde ons, deed ons de ketens om.

De druk werd geleidelijk opgevoerd en toch elke dag waren we ervan bewust, dat het ons verstikte en we wilden er vanaf. 

Ondanks de onderdrukking probeerden we een normaal leven te leiden. We hadden ons eigen geluk, dagelijkse vreugdes, we bleven studeren, we koesterden ons geloof en het vertrouwen.

In het land ontbrak er aan alles, kleding, eten, toiletspullen, boeken etc. Elke dag draaide om het bemachtigen, regelen en om de rijen.

Je stond in een rij vaak niet wetend waarvoor je daar stond. Je wist wel dat wat er ook kwam, had je het zeker nodig.

Vaak liep ik in de stad en opeens zag ik een rij ontstaan. Iedereen vroeg aan iedereen: “wat komt er?”

Zo stond je daar, in een driedubbele rij. Minimaal 4 uur wachten, want wat er kwam moest eerst uitgeladen en geïnventariseerd worden. Soms verliet je de rij voor een half uurtje, maar je omkleden (al was het snik heet) kon je beter uit je hoofd halen, want dan herkenden de mensen je niet meer en je kon je plek in de rij verliezen. Elke plek in de rij was kostbaar en werd verdedigd.

Om een stuk vlees te bemachtigen stond je één nacht in de rij. Rond 22.00 uur begon het.  Alleen een vermoeden dat ze de volgende dag vlees gingen verkopen, deed mensen een rij voor de deur van de slager vormen.

  Mijn oudste broer en ik stonden vaak in zo’n rij. Als kinderen deden we het, want onze ouders moesten werken, het was ook dichtbij dus veilig. Elkaar afwisselen mocht, dan konden we een beetje slapen. We waren kinderen en zelfs van dit soort situaties maakten we een spelletje.

Om 11.00 uur ‘s ochtends ging de deur van de slager open. Even dringen en een uur later, als je geluk had, kon je met je één kilo vlees naar huis.

Om een meubelstuk te kopen stond men 7-14 dagen in de rij. De keuze was meestal “dit of niks”. In deze rij stonden alleen de volwassenen, het was altijd ergens in de stad.  

Tot en met 1989 waren producten als vlees, suiker alleen op bon te verkrijgen. Een bon betekende echter “geen recht“, maar “als je het lukt, mag je het kopen“.

We mochten geen paspoorten hebben en zomaar naar buitenland reizen of je mening over het regime uiten. Men vertrouwde eigen familie en misschien nog de buren en daarbuiten vertrouwde men niemand meer.

Voor de generatie van mijn ouders en hun ouders was het leven het zwaarst.

Om ons te beschermen, praatten ze er nooit over.

Eerst de ontberingen van de oorlog, het land was totaal vernield, één derde van de bevolking vermoord.

Daarna de Sovjetoverheersing, communistische zuiveringen, terreur, nog meer armoe. 

Ze hadden géén andere keuze dan doorgaan. Vaak aan hun lot overgelaten, op een zeer jonge leeftijd van hun families gescheiden op zoek naar werk.

Geen kansen en mogelijkheden om te ontwikkelen zoals zij het wilden want het systeem, en niet het verstandelijk vermogen, bepaalde de grenzen van je ontplooiing. As je geen ouders had, was het leven zwaar en frustrerend.

De generatie van mijn ouders sterft nu uit, vermoeid door de dagelijkse strijd om te leven en te overleven. Elk jaar als ik Polen bezoek, zie ik ze te oud voor hun werkelijke leeftijd en moe, door het systeem, keer op keer misleid en neergeslagen.

Ze zien hun levens doven, met een gevoel ik heb mijn hele leven hard gewerkt en gestreden, ik begon met niets en ik eindig met niets.

Het is mijn verplichting om het ware verhaal van Polen te vertellen, daarom schrijf ik. Het is een verplichting, aan mijn ouders die zo hun best voor mij en mijn broers hebben gedaan. Aan alle generaties van Polen, die de vrijheid en hun land nooit hebben opgegeven en die daarvoor de hoogste prijs moesten betalen. Toen de oorlog in Europa afgelopen was, ging het in Polen nog door, tot zeker begin jaren 60. 

Het schrijven over Polen leert mij veel, het maakt me trots en geeft hoop.